Een jongere die na een steek-, schiet- of ander wapengeweld in het ziekenhuis belandt, bevindt zich op een kwetsbaar moment. Juist dát moment biedt volgens de aanpak Crashmoment benutten een belangrijke kans om hulp aan te bieden. In Rotterdam werken de gemeente, het CIT, JOZ en het Erasmus MC samen om jongeren tot en met 23 jaar na een geweldsincident passende ondersteuning te bieden.
We spreken met Joan Hulsebosch, beleidsadviseur jeugdcriminaliteit bij de gemeente Rotterdam, en Ricardo Danning, gebiedsleidinggevende bij JOZ. Wat houdt de aanpak in en wat levert deze in de praktijk op?
Een kwetsbaar moment benutten
De gedachte achter Crashmoment benutten is eenvoudig: wanneer een jongere na wapengeweld in het ziekenhuis ligt, is hij of zij zich sterk bewust van de eigen kwetsbaarheid. Dat kan een moment zijn waarop iemand meer openstaat voor hulp.
“Als je na een heftig incident in het ziekenhuis ligt, ben je je natuurlijk heel bewust van je eigen kwetsbaarheid,” vertelt Joan. “Dat maakt de kans groter dat iemand toestemming geeft om hulp te ontvangen.”
Ricardo herkent dat vanuit de praktijk. “Als je alleen in een ziekenhuisbed ligt met verwondingen, kan dat een moment van realisatie zijn: dit wil ik niet. Als je dan op de juiste manier een hulpaanbod doet, biedt dat kansen.”
Daarom gaat het traject al in het ziekenhuis van start. Wanneer een jongere door geweld gewond is geraakt, gaat een arts of verpleegkundige het gesprek aan met de jongere en, afhankelijk van de leeftijd, met de ouders. Zij krijgen een hulpaanbod en worden gevraagd of zij toestemming geven om contact op te nemen met de hulpverlening.
De aanpak richt zich niet alleen op jongeren met steek- of schotwonden, maar ook op geweldsincidenten waarbij bijvoorbeeld slag- of stootwapens zijn gebruikt.
Van ziekenhuis naar jongerenwerk
In Rotterdam komt een melding vervolgens terecht bij het CIT, de crisisdienst die 24 uur per dag bereikbaar is. Het CIT kijkt naar de acute situatie en stemt af met JOZ.
Ricardo heeft binnen JOZ een coördinerende rol. Wanneer een casus binnenkomt, wordt gekeken uit welk gebied de jongere afkomstig is. Vervolgens koppelt hij een jongerenwerker uit dat gebied aan de jongere.
“Als bijvoorbeeld blijkt dat een jongere uit Vreewijk komt, kan ik een jongerenwerker uit dat gebied koppelen,” legt Ricardo uit. “Vervolgens stemmen zij af wanneer ze langsgaan. Dat kan de volgende dag zijn, maar als het nodig is ook dezelfde dag.”
De eerste kennismaking gebeurt gezamenlijk: een medewerker van het CIT en een jongerenwerker gaan samen naar de jongere toe. Vervolgens bekijken zij wat er nodig is. Het CIT richt zich daarbij vooral op de acute situatie. Afhankelijk van de casus kan het CIT betrokken blijven of andere hulpverlening inschakelen. JOZ kan de begeleiding van de jongere vervolgens verder oppakken.
Niet alleen de wond, maar de jongere
Volgens Ricardo zit de meerwaarde van de aanpak niet alleen in het reageren op het geweldsincident zelf. Jongeren die na geweld in het ziekenhuis terechtkomen, kunnen ook op andere gebieden problemen ervaren.
“Vaak spelen er meerdere problemen,” vertelt hij. “Bijvoorbeeld dat school niet goed loopt, dat het sociale netwerk niet goed is of dat er schulden zijn. Als je via het ziekenhuis contact krijgt met een jongere, kun je op al die andere gebieden ook helpen.”
Een voorbeeld uit de Rotterdamse praktijk laat dat zien. In één van de casussen ontstond vanuit het contact met een jongere ook aandacht voor diens oudere zus. Zij bleek eveneens behoefte te hebben aan ondersteuning en kon vervolgens worden gekoppeld aan een jongerenwerker.
Het contact kan bovendien helpen om een bredere groep jongeren te bereiken. Ricardo: “Door het contact met deze jongere konden jongerenwerkers ook beter in contact komen met zijn vriendengroep. Dat was juist een groep die moeilijk bereikbaar was.”
Eerste ervaringen in Rotterdam
De pilot is in Rotterdam nog relatief kort bezig. Tot nu toe zijn er drie casussen opgepakt. Volgens Ricardo laten die eerste ervaringen al zien dat de aanpak kansen biedt.
“Ik ben heel enthousiast over deze pilot. Niet omdat het een fijne situatie is, maar omdat ik er veel kansen in zie. Ook als het uiteindelijk om twee jongeren per jaar gaat, of een keer vijf en een keer nul, vind ik dat we deze casussen moeten blijven oppakken en jongeren in deze situatie zo goed mogelijk moeten helpen.”
Ook Joan benadrukt dat iedere bereikte jongere waardevol is. “Elke jongere die we met deze pilot kunnen bereiken, is er weer één.”
Een gezamenlijke verantwoordelijkheid
Voor Joan laat de pilot vooral zien hoe verschillende organisaties vanuit hun eigen rol kunnen bijdragen aan dezelfde jongere.
“Het ziekenhuis kan dit zien als goed hulpverlenerschap in de breedste zin van het woord: meer dan alleen het medische,” vertelt zij. “Ik vind het mooi dat we op deze manier een ketensamenwerking rondom deze doelgroep kunnen organiseren.”
De samenwerking begint bij het ziekenhuis, maar stopt daar niet. Het ziekenhuis, het CIT, JOZ en andere betrokken partijen hebben ieder een eigen rol. Juist die verbinding zorgt ervoor dat er naast medische zorg ook aandacht is voor wat er daarna met een jongere gebeurt.
Wat betekent dit voor Rotterdamse professionals?
Voor professionals die met Rotterdamse jongeren werken, is het volgens Ricardo vooral belangrijk dat zij weten dat deze aanpak bestaat.
De pilot wordt de komende periode verder gevolgd en onderzocht. De daadwerkelijke effecten worden in een later stadium in kaart gebracht. Het is daarom nog te vroeg om definitieve conclusies te trekken over de effectiviteit.
Wat de eerste ervaringen volgens Joan en Ricardo wel laten zien, is het belang van snel schakelen en aansluiten bij de jongere. Het ziekenhuis biedt op een kwetsbaar moment een ingang naar hulpverlening, waarna het CIT en JOZ samen kunnen kijken wat er nodig is.
Voor Rotterdamse professionals is het daarom vooral belangrijk om de aanpak te kennen en te weten dat deze mogelijkheid bestaat. Zo kan het ‘crashmoment’ een eerste stap zijn naar verdere ondersteuning, voor de jongere én voor de omgeving eromheen.
Meer weten over deze aanpak? Neem contact op via geweldig@rotterdam.nl.